Af en toe krijg ik een berichtje van iemand die Nederland maar al te graag voor Spanje wil verruilen en niet kan wachten om hier zelf ook het één en ander op te zetten. Of ik tijd heb om onze ervaringen tijdens een kopje koffie te delen? Natuurlijk. Want op televisie zie je vaak hoe het vooral níét moet. Tijdens onze driedaagse mini-vakantie aan het strand van Oliva, genieten we dan ook met een glaasje wijn en een bakje chips van de avonturen van de deelnemers van zowel Het Roer Om als Ik Vertrek. Ik houd mijn hart vast als ik de familie Bron naar Duitsland zie vertrekken voordat de financiering rond is. Terwijl ik – als ik in hun schoenen had gestaan – al vijfentwintig keer was overleden aan een zenuwinzinking, klussen en investeren zij rustig in een huis dat nog niet van hen is. Dat het ze uiteindelijk tóch lukt, vind ik knap. Het is ze dan ook gegund. Het lijkt ons een aardige en ondernemende familie. Tikje naïef. Want het was wellicht handiger geweest om die investeerder te zoeken vóór de aankoop van het pand. Niet erna. Maar goed, iedereen pakt het anders aan. Jammer van die zestigduizend euro, maar zo is het leven.
Terwijl wij voor onszelf nog een glas wijn inchecken, kijken we ook de aflevering van het Limburgse gezin dat naar Zuid-Afrika vertrekt. Mijn moeder en ik zijn stiekem een beetje jaloers. Als het aan ons had gelegen, hadden we ook in Namibië kunnen zitten. Maar de rest van het gezin zag dat niet direct zitten. Spanje is een stuk dichter bij huis en niet direct een enorme ommezwaai wat betreft cultuur. Dat ze na anderhalf jaar weer huiswaarts keren vind ik een deceptie, maar een verrassing is het niet. Ze kochten het pand – heel impulsief – na één safari in Afrika al aan. Ze begonnen direct met de verbouwing van hun eigen ruimte en luisterden niet naar het goede advies van de opzichter die er al jaren werkte en heel goed wist wat wel en niet zou werken in Afrika. Tel daar bij op dat ze (naar mijn mening) al veel te snel de conclusie trokken dat dit niet zou werken en je hebt een aflevering waarin je precies ziet hoe het níét moet.
Want hoewel het verleidelijk is om al snel te willen beginnen met verbouwen, hebben wij gedurende onze verbouwing wel geleerd dat het verstandig is om daar (als het pand het toe laat) vooral even mee te wachten. Zelfs als je vantevoren heel goed hebt nagedacht over wat je wel en niet nodig hebt en waar de gasten juist wel of juist geen behoefte aan hebben, kan het in de praktijk vaak anders uitpakken. Het volgens ons allermooiste plekje in de tuin, blijft dag na dag opvallend leeg. Zonde. Maar wat wil je eraan doen? De gast bepaalt waar hij/zij behoefte aan heeft en het is verstandig om daar ook in mee te gaan. Maar nóg erger dan direct te beginnen met een (onnodige) verbouwing, is te beginnen met de verbouwing van je eigen ruimte. Het zijn de gasten die de rekeningen uiteindelijk betalen. Investeren in de gastenruimte lijkt mij dan ook de eerste stap. Pas als dat op orde is, zou ik persoonlijk beginnen met je eigen ruimte. En tijdens dat proces is het belangrijk om te luisteren naar het advies van de locals. Zij weten immers precies hoe is het om daar te leven. Wat wel werkt. En ook vooral wat niet werkt. Niet alleen in Afrika, maar ook hier in Spanje hebben we dat geleerd. De vorige eigenaresse van het huis was niet gek. Zaken die voor ons in eerste instantie vreemd leken, blijken achteraf helemaal niet vreemd te zijn. Maar essentieel om hier fijn te kunnen leven.
En het belangrijkste van allemaal? Geef het tijd. Rome werd niet in één dag gebouwd en een goedlopende gastenaccommodatie ook niet. Het kost tijd om goed personeel te vinden als je niet alles alleen kunt doen. Het kost tijd om een vaste gastenkring op te bouwen. Het kost tijd om de juiste routine te creeëren. Om het werk je helemaal eigen te maken. De verwachting dat je met een glas wijn rustig bij de gasten kunt aanschuiven terwijl de rest van de werkzaamheden op rolletjes lopen, is opnieuw (naar mijn mening) niet iets wat je direct kunt verwachten. Je bent net begonnen. Geef het een paar jaar. Het had zo mooi kunnen zijn. Hoofdschuddend neem ik een laatste slok wijn. Ondertussen zoekt mijn moeder de nieuwste aflevering van de Hygiënepolitie op. Met een vies gezicht kijken we naar de voorstukjes. Gelukkig hebben we al gegeten. Zoals ik al zei: op televisie zie je vooral hoe het niet moet.
